Een hond die in de tuin op een tak kauwt of een kat die aan een boeket knabbelt, is een alledaags tafereel. Bij een deel van de planten kan het misgaan, van een geïrriteerde mond tot schade aan de nieren of het hart. Hieronder lees je welke planten in de Nederlandse voorlichting en bij dierenklinieken worden genoemd, wat er dan kan gebeuren, en wat je doet als je vermoedt dat je dier iets binnen heeft gekregen.
Waarom honden en katten aan planten knagen
Katten zijn geen planteneters, maar knabbelen wel graag aan gras en bladeren. Het LICG noemt verveling als een van de redenen, en beschrijft dat katten voorkeur hebben voor malse stelen en blaadjes. Ze maken daarbij geen onderscheid tussen een veilige en een giftige soort. Is er geen gras beschikbaar, dan wijken ze uit naar andere planten in huis.
Bij honden speelt eerder nieuwsgierigheid en kauwbehoefte een rol. Jonge honden nemen veel in de mond, en een omgewoelde border of een hoop snoeiafval is dan een aantrekkelijke plek. Het LICG waarschuwt daar apart voor: laat bij het tuinieren nooit snoeiafval of uitgegraven planten liggen op plekken waar je huisdier bij kan, omdat bollen, wortels en wortelstokken tot de giftigste delen van veel planten horen.
De planten die vaak genoemd worden
De onderstaande planten komen terug in het overzicht van het LICG, in de kennisbanken van dierenkliniek AniCura en bij het Antigifcentrum. Wat erachter staat, is wat die bronnen als mogelijke klachten noemen, niet wat er zeker gebeurt. Hoeveelheid, plantendeel en het gewicht van je dier bepalen mee hoe ernstig het uitpakt.
| Plant | Wat er kan gebeuren |
| Lelie en daglelie | Bij katten braken, kwijlen, niet eten, sloomheid, veel plassen en uitval van de nierfunctie. Alle delen zijn giftig, ook stuifmeel |
| Taxus | Het zaadje in de bes is het gevaarlijke deel. AniCura noemt spierverslapping, verlamming en hartfalen bij honden |
| Oleander | Staat bij LICG en AniCura op de lijst van giftige planten voor hond en kat. Een plant met een werking op het hart |
| Dieffenbachia | Kamerplant die het LICG als gevaarlijk aanmerkt en die in de lijst ook is gemarkeerd als huidirriterend |
| Azalea en rododendron | AniCura noemt bij azalea kortademigheid en klachten aan de nieren. Ook gemarkeerd als huidirriterend |
| Kerstroos | Maagdarmklachten zoals braken en diarree. Bij grote hoeveelheden ook sufheid, verlamming en hartritmestoornissen |
| Amaryllis | Staat bij het LICG bij de bolbloemen en bij AniCura op de kattenlijst. Maag- en darmproblemen |
| Bolgewassen: narcis, krokus, hyacint, tulp, sneeuwklokje | Maagdarmklachten. De bol is het deel waar het meestal om gaat |
| Kerstster, hulst en maretak | Kerstster geeft meestal maagdarmklachten. Bij hulst ook kwijlen en kopschudden, bij maretak in grotere hoeveelheden grote pupillen, zwaar ademen en shock |
| Monstera, philodendron en hortensia | Staan bij het LICG in de opsomming van giftige planten, zonder verdere toelichting per plant |
Twee dingen vallen op. De lelie is de enige plant waar meerdere veterinaire bronnen het woord noodgeval bij gebruiken; Dierenkliniek Tiel-Drumpt schrijft dat alleen katten gevoelig lijken voor het effect op de nieren en dat de bloemen het giftigste deel zijn. Verder geven de bronnen per plant geen hoeveelheid, omdat de dosis van te veel factoren afhangt.
Irriterend of echt gevaarlijk: het verschil
AniCura maakt in zijn kattenkennisbank een onderscheid dat handig is om te kennen. Sommige planten bevatten irriterende stoffen die plaatselijk een ontsteking geven, bijvoorbeeld in de mond, de maag of op de huid. Andere planten hebben een werking door het hele lichaam, waarbij de giftige stof organen zoals de nieren of het hart kan beschadigen.
Dat verschil zie je aan de klachten. Bij een plaatselijke reactie is de mond rood of gezwollen, kwijlt je dier, kokhalst het of eet het even niet. Vaak zakt dat weg. Bij een werking op de organen zie je in het begin soms hetzelfde beeld, maar komt er later iets bij: veel drinken en plassen, een onregelmatige hartslag, verlamming of een dier dat na een dag zieker wordt in plaats van beter.
Thuis kun je dat onderscheid niet betrouwbaar maken, en het LICG wijst erop dat de effecten pas na dagen kunnen opkomen. Behandel een vermoeden daarom niet als iets wat je afwacht, ook niet als je dier er goed uitziet.
Wat je doet bij een vermoeden van vergiftiging
Werk deze stappen in deze volgorde af. Ze komen uit de adviezen van het LICG en AniCura.
- Haal je dier weg bij de plant en ruim de resten op, zodat er niet meer bij kan.
- Bel direct je dierenarts of, buiten openingstijden, de dierenartsenpost. Zeg dat je onderweg bent, dan kan de praktijk zich voorbereiden.
- Probeer je dier niet zelf te laten braken. Het LICG schrijft dat je nooit zout moet gebruiken, omdat je dier daardoor een zoutvergiftiging kan krijgen. AniCura is nog korter: probeer nooit zelf om je kat te laten overgeven, hier zijn geen veilige manieren voor.
- Voorkom bij katten dat ze zich blijven poetsen als er plantensap of stuifmeel in de vacht zit. Wat ze eraf likken, komt alsnog binnen.
- Neem een stukje van de plant mee, of het naamplaatje uit de pot, of maak een foto. Zonder naam moet de dierenarts gokken.
- Noteer wat je weet: welke plant, welk deel, hoeveel ongeveer, en hoe lang geleden. Noteer ook welke klachten je hebt gezien en wanneer die begonnen.
Die laatste twee punten wegen zwaarder dan mensen denken. De tijd sinds de inname bepaalt vaak wat er nog mogelijk is, en bij de lelie noemt Dierenkliniek Tiel-Drumpt daar concrete grenzen bij: maatregelen tegen opname in de darm werken vooral binnen twee uur na inname, en infuustherapie is effectiever als die binnen achttien uur start. Er bestaat geen tegengif voor lelievergiftiging.
Ga ook langs als je dier nog niets laat zien. Het LICG adviseert direct een dierenarts te raadplegen als je kat plotseling onwel wordt, veel braakt of ernstige diarree heeft, maar wachten tot dat gebeurt kost bij een plant als de lelie precies de tijd die je nodig had.
Veilige alternatieven, zoals kattengras
Een kat die iets te knagen heeft, gaat minder snel op zoek naar je kamerplanten. Een pot kattengras of een graspol op een vaste plek is daarom een praktische zet, en het LICG beschrijft ook dat katten uitwijken naar andere planten als er geen gras beschikbaar is.
Verwacht er geen wondermiddel van. Het LICG merkt op dat elke plant, ook kattengras, in het maagdarmstelsel van je kat een irriterende werking heeft en braken kan veroorzaken. Een kat die na het eten van gras een keer een prop haar en gras uitbraakt, doet dus iets normaals. Braakt je kat vaak of houdt het aan, dan hoort dat bij de dierenarts en niet bij het gras.
Voor honden is er geen equivalent van kattengras. Wat wel helpt, is genoeg te kauwen hebben en een tuin waarin de aantrekkelijke dingen niet de giftige dingen zijn.
Preventie in huis en tuin
Binnen is preventie het eenvoudigst. Het LICG adviseert gevaarlijke kamerplanten weg te doen, vooral als je een kitten hebt of een kat die alleen binnen leeft. Hoog wegzetten werkt bij honden vaak, bij katten zelden. Dat geldt ook voor boeketten: een gemengd bosje met een lelie erin is bij een kat geen kwestie van opletten, maar van niet in huis halen.
In de tuin is het lastiger. Je kunt risicoplanten uit je eigen tuin halen en bij de buren navragen wat er over de erfgrens groeit, maar volledige controle heb je niet. Deze punten pakken het meeste risico weg:
- Laat snoeiafval, uitgegraven planten en bollen nooit liggen waar je dier bij kan.
- Berg zakken bollen op voordat je gaat planten, en houd je hond weg bij het plantvak zolang de aarde nog los is.
- Zet nieuwe planten pas neer als je de naam hebt gecheckt tegen een plantenlijst, bijvoorbeeld die van het LICG.
- Bewaar het naamplaatje van je planten, of maak er een foto van. Dat kost niets en scheelt je bij een incident een gok.
Wat je in huis en tuin niet oplost, los je op met een telefoonnummer op de koelkast: dat van je eigen praktijk en dat van de dierenartsenpost voor de avond en het weekend.

