Direct naar de inhoud
Gids · voeden

Hoeveel moet mijn hond per dag eten?

De verpakking is een startpunt, het lichaam van je hond is de maatstaf. Lees hoe je de portie berekent, afweegt en per twee weken bijstelt.

Op de zak staat een tabel, en toch klopt die hoeveelheid vaak niet voor jouw hond. Dat is logisch: de tabel gaat uit van een gemiddelde hond. In deze gids lees je hoe je met de verpakking begint, hoe je aan het lichaam van je hond ziet of de portie klopt, en hoe je bijstelt.

Het korte antwoord

Begin met de hoeveelheid die op de verpakking staat bij het huidige gewicht van je hond, of bij zijn streefgewicht als hij te dik is. Weeg die af, geef hem twee weken, en kijk dan wat het lichaam doet. Blijft het gewicht gelijk en voelen de ribben goed aan, dan zit je goed. Schuift het gewicht de verkeerde kant op, stel dan met ongeveer 10 procent bij.

Als globale richtlijn krijgen volwassen honden rond 2 procent van hun lichaamsgewicht aan brokken per dag. Dat is een startgetal, geen wet: het verschilt sterk per voer en per hond. Grote honden zitten relatief lager, kleine honden hoger.

Gewicht hondRichtlijn brokken per dagOngeveer als percentage
5 kg80 tot 130 gram1,6 tot 2,6 procent
10 kg140 tot 220 gram1,4 tot 2,2 procent
20 kg230 tot 350 gram1,2 tot 1,8 procent
30 kg320 tot 470 gram1,1 tot 1,6 procent
40 kg400 tot 580 gram1 tot 1,5 procent

Deze marges gaan uit van een volwassen, matig actieve hond en een brok van 350 tot 400 kilocalorieën per 100 gram. Pups en sporthonden eten meer, senioren en gecastreerde honden vaak minder.

Waarom voedingstabellen uitgaan van gemiddelden

Een voedingstabel is opgesteld voor een groep honden, niet voor één hond. De fabrikant kiest een hoeveelheid waarbij de meeste honden van dat gewicht op peil blijven. Rond dat gemiddelde zit een grote spreiding: de energiebehoefte van twee honden van hetzelfde gewicht kan tientallen procenten verschillen. Dat komt door dingen die de tabel niet weet:

  • Hoeveel je hond beweegt, en hoe intensief.
  • Of hij gecastreerd of gesteriliseerd is.
  • Zijn leeftijd en spiermassa.
  • Zijn ras en bouw, en of hij van nature onrustig of erg rustig is.
  • Hoeveel snacks en restjes er per dag bijkomen.

Nog iets: de meeste tabellen geven de hoeveelheid bij het huidige gewicht. Bij een hond die al te zwaar is, houd je zo het overgewicht in stand. Reken dan met het streefgewicht.

Het lichaam van je hond als maatstaf

De praktische maatstaf is de body condition score, kortweg BCS: een beoordeling van de lichaamsbouw door te voelen en te kijken, meestal op een schaal van 1 tot 9 waarbij 4 of 5 het streven is. Je hebt er alleen je handen voor nodig. Doe deze drie checks samen, niet één los.

Ribben voelen

Leg je handen plat op de flanken en aai met lichte druk over de ribben. Je moet de ribben duidelijk voelen, met een dun laagje ertussen, zoals je de botten aan de achterkant van je eigen hand voelt. Moet je duwen of zoeken, dan is er te veel vet. Tekenen de ribben zich van een afstand af, dan is hij te mager. Bij een dikke vacht is voelen betrouwbaarder dan kijken.

Taille van bovenaf

Ga achter je hond staan en kijk van boven op hem neer terwijl hij stilstaat. Achter de ribben hoort de lijn naar binnen te lopen: een zichtbare taille. Loopt die lijn recht door of bolt hij naar buiten, dan is je hond te zwaar. Steken de heupbotten uit, dan is hij te mager.

Buiklijn van de zijkant

Bekijk je hond van de zijkant. De buik hoort vanaf de laatste rib omhoog te lopen naar de achterbenen, dus opgetrokken. Bij overgewicht loopt die lijn recht of zakt hij omlaag. Bij windhonden is de buiklijn van nature extra opgetrokken en bij zwaargebouwde rassen minder.

Wegen en bijstellen

Voer afwegen in plaats van scheppen

Een maatbeker geeft een grove schatting. De hoeveelheid brokken in een beker verschilt met de vorm van de brok, en niemand schept twee keer hetzelfde. Verschillen van 10 tot 20 procent per portie zijn zo gemaakt. Bij een hond van 10 kg is dat over een jaar het verschil tussen op gewicht blijven en een kilo aankomen.

Werk daarom met een digitale keukenweegschaal met tarrafunctie, dus een knop waarmee je het gewicht van de bak op nul zet. Weeg de dagportie ’s ochtends in één keer af en verdeel die over de maaltijden. Dan zie je wat er over is voor snacks.

Wil je toch een beker gebruiken, weeg dan één keer af hoeveel gram jouw voer in die beker gaat en schrijf dat op de zak.

Je hond wegen, elke twee weken

Weeg je hond elke twee weken op hetzelfde moment van de dag, bijvoorbeeld voor het ontbijt. Kleine honden weeg je thuis door jezelf met en zonder hond op de personenweegschaal te zetten. Grotere honden mogen bij veel dierenartsen op de weegschaal.

Hoe je bijstelt:

  • Gewicht gelijk en BCS goed: niets veranderen.
  • Te zwaar: verlaag de dagportie met ongeveer 10 procent en meet na twee weken opnieuw. Een gezond tempo van afvallen is 1 tot 2 procent van het lichaamsgewicht per week.
  • Te mager: verhoog met ongeveer 10 procent en let erop of je hond alles opeet.
  • Gaat het gewicht na twee aanpassingen nog de verkeerde kant op, laat je hond dan nakijken.

Verander niet meer dan één ding per keer en geef elke aanpassing twee weken.

Leeftijd, activiteit, castratie en ras

Een pup eet per kilo lichaamsgewicht veel meer dan een volwassen hond, omdat hij groeit: in de eerste maanden twee tot drie keer zoveel per kilo, verdeeld over drie of vier maaltijden. Volg de tabel van het puppyvoer op basis van de verwachte volwassen grootte, en pas die elke twee weken aan het nieuwe gewicht aan. Te snel groeien is bij grote rassen ongunstig voor de gewrichten.

Volwassen honden zitten op onderhoud: de portie hoort het gewicht stabiel te houden. Senioren, meestal vanaf ongeveer 7 jaar bij grote rassen en 9 tot 10 jaar bij kleine, bewegen minder en verliezen spiermassa. Veel senioren hebben daardoor 10 tot 20 procent minder energie nodig, maar niet minder eiwit. Valt een oudere hond juist af, laat hem dan nakijken.

Verder spelen mee:

  • Activiteit: een hond die dagelijks een uur rustig wandelt heeft weinig extra nodig. Bij hondensport meerdere keren per week loopt de behoefte op met tientallen procenten.
  • Castratie en sterilisatie: na de ingreep daalt de energiebehoefte bij veel honden met ongeveer 10 tot 20 procent, terwijl de eetlust gelijk blijft of toeneemt. Stel de portie rond de ingreep dus alvast wat naar beneden bij.
  • Ras en bouw: honden met veel spiermassa verbruiken meer dan gedrongen, rustige honden van hetzelfde gewicht. Rassen die makkelijk aankomen, zoals labradors en beagles, vragen strakker afwegen.

Snacks, natvoer en brokken meerekenen

Snacks horen bij de dagportie

Een gangbare richtlijn is dat snacks en kauwspullen samen niet meer dan ongeveer 10 procent van de dagelijkse energie leveren. De overige 90 procent komt uit het complete voer, want daarin zitten de vitaminen en mineralen in de juiste verhouding.

Haal die 10 procent van de dagportie af in plaats van hem erbovenop te geven. Krijgt je hond 200 gram brokken, houd dan ongeveer 20 gram over om mee te belonen. Let op verborgen bronnen: een kauwbot, koekjes, restjes van tafel en de pindakaas in een likmat tellen mee.

Natvoer of brokken: waarom de grammen verschillen

Natvoer bestaat voor ongeveer 75 tot 80 procent uit water, brokken voor 8 tot 10 procent. Per 100 gram levert natvoer daarom veel minder energie: vaak 70 tot 100 kilocalorieën, tegen 350 tot 420 bij brokken. Een hond die 200 gram brokken eet, heeft aan natvoer grofweg 700 tot 1000 gram nodig, drie tot vier keer zoveel.

Vergelijk daarom nooit grammen tussen twee soorten voer, maar kilocalorieën. Die staan op de verpakking, meestal per 100 gram of per blik. Geef je beide door elkaar, reken dan met energie.

Wanneer de dierenarts in beeld komt

Sommige signalen horen bij een dierenarts, niet bij een rekentabel. Bel als je dit ziet:

  • Snel gewichtsverlies zonder dat je minder bent gaan voeren, bijvoorbeeld meer dan 5 procent in een maand.
  • Een hond die veel meer eet en toch afvalt.
  • Veel meer drinken en plassen dan normaal.
  • Een hond die een dag niet eet, of bij een pup korter dan dat.
  • Een opgezette of harde buik, kokhalzen zonder resultaat of onrust na een grote maaltijd. Dat kan wijzen op een maagtorsie, waarbij de maag draait, en dat is een spoedgeval.
  • Braken of diarree die langer dan een dag duurt.

Speelt er een aandoening zoals diabetes, nierziekte of een allergie, laat het voerplan dan opstellen door je dierenarts.

Bronnen

  1. FEDIAF Nutritional Guidelines (opent in een nieuw tabblad)

Veelgestelde vragen

Hoeveel keer per dag moet mijn hond eten?

Volwassen honden krijgen meestal twee maaltijden per dag, ochtend en avond. Pups eten drie tot vier keer per dag tot ongeveer vier maanden en daarna drie keer, tot rond zes maanden. Verdeel de afgewogen dagportie over die maaltijden, dan verandert het totaal niet.

Mijn hond lijkt altijd hongerig, geef ik te weinig?

Niet per se. Veel honden blijven bedelen ook als ze genoeg krijgen, want eten vragen levert vaak iets op. Kijk daarom naar het gewicht en de ribben in plaats van naar het gedrag bij de bak. Is het gewicht stabiel en voelen de ribben goed, dan is de portie in orde.

Kan ik brokken en natvoer combineren?

Ja, zolang beide complete voeding zijn en je de totale energie in de gaten houdt. Reken in kilocalorieën en niet in grammen, want natvoer bevat veel meer water. Verandert de ontlasting bij de overstap, bouw dan over vijf tot zeven dagen op.

Hoe snel mag mijn hond afvallen?

Ongeveer 1 tot 2 procent van het lichaamsgewicht per week is een haalbaar tempo. Een hond van 20 kg verliest dan zo’n 200 tot 400 gram per week. Sneller gaat vaak ten koste van spiermassa. Weeg elke twee weken en stel met kleine stappen bij.

De portie op de zak is een startpunt, jouw hond is de maatstaf. Weeg het voer af, controleer elke twee weken het gewicht en de ribben, en stel bij in stappen van ongeveer 10 procent. Zie je snel gewichtsverlies, veel drinken of een hond die niet eet, laat hem dan nakijken.

Secret Link